Accreditatie is in hoger onderwijsland een heet hangijzer. O.a. de bekostiging en het imago van de instelling of opleiding hangen hier van af dus eens in de zes jaar is het weer tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Het accreditatieproces wordt veelal ervaren als een grote inspanning. Begin dit jaar is door de NVAO het nieuwe accreditatiestelsel voor instellingen in het hoger onderwijs geïntroduceerd. De focus dit nieuwe stelsel is verschoven van kwaliteitsborging naar kwaliteitsverbetering. Daarnaast zou het de administratieve last voor onderwijsinstellingen wat moeten verlichten, met name door de introductie van een instellingstoets kwaliteitszorg. Een onderwijsorganisatie die op deze toets een positieve beoordeling behaalt, komt in een ander (lichter) accreditatie regime terecht voor haar opleidingen, waarvoor dus minder informatie aangeleverd hoeft te worden.  Voor meer info kijk hier.

Instellingen en opleidingen moeten voor accreditatie twee typen informatie aanleveren. Enerzijds moet tekstuele informatie worden geleverd zoals diverse beleidsstukken rondom kwaliteitszorg, een kritische zelfreflectie en niet kwantificeerbare bewijzen van deugdelijkheid van de onderwijskwaliteit.  Anderzijds zal ook de nodige getalsmatige onderbouwing geleverd moeten worden om de effectiviteit van de kwaliteitszorg aan te tonen.  Zeker nu focus nadrukkelijker op kwaliteitsverbetering komt te liggen zal een opleiding des te meer moeten kunnen aantonen hoe zij deze kwaliteitsverbetering dan wel denkt te kunnen meten en vervolgens hierop te acteren.

Een accreditatie kost meer tijd en moeite naarmate kwaliteitszorg een slechter geïntegreerd onderdeel van het werkproces is. Als kwaliteitszorg door de gehele organisatie structureel aangepakt zou zijn, zou het opleveren van de juiste informatie voor de auditcommissie niet zo’n grote last zijn. Beleidsplannen kunnen dan zo van de plank getrokken worden en de getallen die bewijzen dat deze plannen werken kunnen vlot berekend worden. Namelijk de data die een organisatie gebruikt om kengetallen te berekenen die de effectiviteit van haar kwaliteitszorg inzichtelijk maakt voor de auditcommissie zou dezelfde moeten zijn als  waarop de organisatie de haar processen stuurt. Als dit niet het geval is, dan zou men zich moeten realiseren dat er kennelijk iets mis is met het ‘Check’ deel in de PDCA cyclus die het hart van het stelsel van kwaliteitszorg vormt. Dien ten gevolge kan aan het ‘Act’ deel ervan ook geen goede invulling gegeven worden, wat weer tot de conclusie leidt dat men kwaliteitszorg niet op orde heeft.

Bovengenoemd scenario treedt typisch op als men de accreditatie als een zesjaarlijkse verplichte exercitie ziet waarin men even door een hoepeltje moet springen en na het bereiken  van een positief oordeel weer rustig achterover kan leunen.

Om de (verbetering van) kwaliteit van een onderwijsproces te kunnen meten zal op regelmatige basis aan zowel aan de input als aan de output kant gemeten moeten worden. Informatie aan de output kant kan worden vergeleken met een norm om zo te bepalen of men op koers ligt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat veel processen op zich weer op te delen zijn in deelprocessen. Op alle niveaus kan gemeten en vergeleken worden.

Op het  niveau van opleiding kun je wat betreft input bijvoorbeeld denken aan het vastleggen van informatie rondom instroom van studenten zoals: de gevolgde opleidingsvorm, nationaliteit, leeftijd, vooropleiding,  geslacht etc. Wat betreft output kun je denken aan informatie rondom uitstroom zoals: uitstroom met/zonder diploma,  moment van uitvallen, doorstroom naar betaalde baan of vervolgopleiding, tevredenheid over de opleiding etc.

Op cursusniveau kun je aan de inputkant denken aan het vastleggen van informatie rondom  bestede FTE’s per werkvorm (hoorcollege, werkcollege, stage etc.), bepaalde karakteristieken van docenten zoals: specialisme, type aanstelling, nationaliteit en studenten gebonden aspecten zoals: hoofdopleiding, nationaliteit, major of minor cursus, cursus wel niet verplicht etc.  Aan de outputkant valt in dit verband te denken aan het werkelijke aantal contacturen tussen student en docent, het werkelijk aantal besteedde uren door student en docent,  studenttevredenheid over: cursusmateriaal, deskundigheid van de docent, didactische vaardigheden van de docent, bereikbaarheid van de docent, studielast etc.

Met name de informatie aan de outputkant van processen is doorgaans lastig of zelfs onmogelijk op een later tijdstip (bij een accreditatie) te bepalen. Het is daarom zaak om te meten en vast te leggen zo snel dit mogelijk is. Deze regel moet ‘ingebakken’ zijn in ieder proces in de organisatie. Maar dat alleen is niet genoeg. Als het meten van de kwaliteit per geval (bijvoorbeeld per cursus) weer op een andere wijze gebeurt en wordt vastgelegd, resulteert dit alsnog in heel veel werk als je dit soort informatie wilt bundelen in een overzicht of kengetal.  Daarom is het nodig dat er een algemeen geldende werkwijze van evaluatie wordt gehanteerd, over de verschillende processen heen.  De verzamelde data kan dan weer op een centrale plek worden bewaard, en bijvoorbeeld via een data warehouse worden ontsloten voor de organisatie. Deze werkwijze moet organisatiebreed gedragen worden en helder zijn vastgelegd. Dit is dan meteen een mooi document om aan de auditcommissie te overhandigen.  Dit kan mijns inziens alleen maar werken als iedereen in de organisatie het belang hiervan inziet en de managementinformatie die hierdoor beschikbaar komt ook kan gebruiken om de eigen processen bij te sturen op het moment dat het nodig is en niet alleen voor de accreditatie. Het accreditatieproces is op deze manier het logische verlengde van de hele kwaliteitszorgcyclus.